|
Mental (Building) Blocks | home
Column (uit Ned. Tijdschrift voor Natuurkunde, januari 2002) RETURN
Geniale natuurkundigen
John von Neumann, Albert Einstein, Niels Bohr, Robert Oppenheimer, Max Born, James Franck, Edward Teller, Leo Szilard, Paul Ehrenfest, Wolfgang Pauli, Mitchell Feigenbaum, Res Jost, Oskar Klein, Isidor Rabi, Robert Serber, Lev Landau, Sam Goudsmit, David Bohm, Viktor Weisskopf, Eugene Wigner, Julian Schwinger, Leon Lederman, Abraham Pais, Samuel Schweber, Richard Feynman, Steven Weinberg en Edward Witten.
Zomaar enige mensen uit de twintigste eeuw die baanbrekend hebben bijgedragen aan de natuurkunde, waarvan de meeste bijdragen het predikaat geniaal verdienen. Wat deze fysici ook gemeen hebben, is dat ze joods zijn. Wanneer we het aantal geniale bijdragen aan de natuurkunde delen door het aantal joden, dan zullen we op een getal uitkomen dat dezelfde verhoudingen voor andere volkeren achter zich laat in orde van grootte. In deze context is het gebruik van de uitdrukking `statistisch significant' een bagatel.
Maar er is, naast hun joodse afkomst, nog iets opvallends aan deze natuurkundigen: ook het aantal ketters in deze groep is statistisch significant. De meesten deelden het natuurlijke standpunt van de wetenschapsbeoefenaar, die gewend is aan een periodieke scheerbeurt door Occam, namelijk dat het bestaan van Jahweh een overbodige hypothese is. Einstein beweerde te geloven in een van de mens onafhankelijk bestaande maar door de mens bewonderde werkelijkheid, in `de God van Spinoza', de rationalistische natuurmysticus die door de joodse religieuze autoriteiten uit Amsterdam werd verbannen wegens blasfemie en `ongodistery'. (In deze zeer bijzondere zin zijn alle natuurkundigen `gelovigen'.) Het `geloof' van Einstein, die bidden belachelijk vond, geen voet zette in synagoge of ander heilig huisje, en doorwerkte tijdens de sabbath, is daarom operationeel equivalent aan het olijke atheïsme van Feynman. De aforismen van Einstein en Feynman over respectievelijk Der Alte en Mother Nature, zijn identiek want betekenis-invariant onder de semantische permutatiegroep.
Waarom is de twintigste-eeuwse theoretische natuurkunde welhaast een onderonsje van erg geassimileerde, ongodistische joden?
Er is beweerd, onder andere door Pais, dat joden bij voorkeur met intellectuele vaardigheden brood op de plank brachten omdat je dan, bij de zoveelste verdrijving, alleen je hoofd hoeft mee te nemen. Bovendien prepareert jarenlange studie van de Talmoed de hersens van kinderen in een optimale toestand voor abstract denken. Deze verklaring is ontoereikend. Want waarom pas in de twintigste eeuw, toen joden juist meer en beter assimileerden? Daarenboven is de bestudering van de Talmoed niet pas anderhalve eeuw geleden begonnen. Joodse natuurkundigen voor de twintigste eeuw moet je met een lantaarntje zoeken. Wel verklaart het de overtegenwoordiging van joden bij vrije beroepen door de eeuwen heen - artsenij, advocatuur en handel in alles wat los en vast zit.
Er is beweerd dat, om je in het historisch jonge vak van de theoretische fysica te bekwamen, geen instituties en laboratoria nodig zijn, alwaar joden tot na WO II slechts spaarzaam toegang toe hadden, maar alleen potlood en papier, zodat joden zichzelf op een koopje toegang konden verschaffen tot wat in de loop van de negentiende eeuw een maatschappelijk aanvaardbaar beroep was geworden. Afgezien van het antisemitische odium (de jood als vrek), lijkt ook deze verklaring ontoereikend. Vrijwel alle genoemde natuurkundigen hebben een opleiding genoten aan een universiteit of technische hogeschool. In beginsel konden zij elk vak kiezen. Maar zij kozen theoretische natuurkunde, muntten uit en deponeerden de archaïsche Jahweh op de mestvaalt van de ideeëngeschiedenis. Waarom?
Wie het weet, mag het zeggen.
F.A. Muller
Reactie (uit Ned. Tijdschrift voor Natuurkunde, maart 2002) RETURN
Maatschappelijke emancipatie
“Waarom is de bijdrage van de Joden aan de natuurwetenschappen veel groter dan op grond van hun demografische percentage verwacht zou worden?” Zo simpel als deze vraag van F.A. Muller (NTvN van januari 2002) in vereenvoudigde vorm luidt, zo complex is het antwoord dat daar op gegeven moet worden. Een sociologisch proces heeft met een thermodynamisch proces gemeen dat er sprake is van een begin- en een eindtoestand, en een weg waarlangs de verandering plaats vindt. Uit deze vergelijking volgt dat het onmogelijk is een dergelijke verandering louter en alleen te verklaren uit de intrinsieke eigenschappen van slechts een enkele sociale subgroep uit het hele maatschappelijke wisselwerkingsproces. Hier nemen we als uitgangstoestand de toestand van de wereld aan het eind van de negentiende eeuw en als eindtoestand de sitiuatie ongeveer een eeuw later.
Laten we eerst de demografische distributie beschouwen. Omstreeks 1880 woonde ongeveer de helft van alle Joden op de wereld in Oost-Europa en een verwaarloosbaar percentage in de Verenigde Staten; na de tweede wereldoorlog was deze getalsverhouding omgekeerd.
In de tweede plaats kijken we naar het geografische zwaartepunt van de beoefening van de natuurwetenschappen; dat is rond de tweede wereldoorlog van Duitsland naar de Verenigde Staten verschoven.
Ten derde moet wetenschap als werkgelegenheid worden gezien. Zich snel uitbreidende of geheel nieuwe vakgebieden scheppen op de arbeidsmarkt expansiemogelijkheden, die in een evolutionair proces met open niche aangeduid worden.
Ten vierde moet er toegang zijn tot middelbaar en hoger onderwijs van hoge kwaliteit, dat wetenschappelijke vorming mogelijk maakt. In de eerste honderden jaren van hun bestaan lieten universiteiten geen Joden toe. In de Verenigde Staten werd de numerus clausus aan Ivy-League-universiteiten pas rond 1940 opgeheven! Als laatste belangrijke factor kunnen normen en waarden van de Joods gezinscultuur worden genoemd. Wij zien daar: respect voor leren en geleerdheid, toewijding aan gekozen activiteiten en een opvoeding die meer gebaseerd is op overreding dan op straf. Opmerkelijk is dat deze karakteristieken ook in grote armoede overeind blijven. Daarbij komt nog dat de beroepskeuze bewust gericht wordt op haalbare doelen in het volle besef van het feit dat Joden, als minderheidsgroepering, meer moeten presteren dan anderen om in de maatschappelijke competitie een plaats te verwerven. In het ragfijne samenspel van al deze factoren moet de verklaring gezocht worden van de `onevenredig' grote deelname aan de ontwikkeling van de natuurwetenschappen, alsook van de ongekend grote mate van succes die daarin werd behaald.
Unitaristen en Quakers, met vergelijkbare normen en waarden, scoren aanzienlijk hoger dan de Joden als we meten in de verhouding gepromoveerden/afgestudeerden. Ook valt er een grote overeenkomst waar te nemen met de wijze waarop de Chinezen, met ettellijke culturele waarden gelijkend op die van de Joden, in enkele decennia een steeds groter percentage van de academische staf in de Verenigde Staten zijn gaan uitmaken. Al deze aanwijzingen lijken te suggereren dat wij hier van doen hebben met een maatschappelijk emancipatieproces van een minderheid die alle gelegenheden benut die zich voordoen tijdens sociaal-economische en politieke veranderingen in de samenleving, door hun culturele kapitaal zo goed mogelijk te investeren.
M.E. van Kreveld
Noot
1 Voor een uitgewerkte versie van dit verhaal kunt u terecht op de website van de auteur: http://come.to/kreveld.
naschrift F.A. Muller:
Het doet mij deugd dat iemand de verklaringshandschoen heeft opgenomen. Zonder morren aanvaard ik dat een volledige verklaring voor de enorme oververtegenwoordiging van (afvallige) Joden in de twintigste-eeuwse theoretische natuurkunde meer ruimte eist dan de 400 woorden van een column. Ik heb slechts de gegeven antwoorden die ik kon vinden (onder andere van Pais) verworpen als ontoereikend. De omvattende verklaring die uit de beschouwing van Kreveld opdoemt, lijkt mij echter toch nog tekortschieten om de enorme overtegenvertegenwoordiging te verklaren bij juist de theoretische natuurkunde, en (zeker) niet (in die mate) bij de biologie, de scheikunde en de wiskunde. Uit de biografische gegevens die ik ken ziet men bij allen (waar men ook woont en opgroeit) reeds op jonge leeftijd een sterk overheersende interesse in natuurkunde. Waarom?
|